
2. inleiding en geschiedenis
Inleiding*
Op het moment van verschijnen van deze editie telt Nederland 7,242 miljoen huishoudens1. De gemiddelde gezinsgrootte is 2,24 personen per huishouden2. Van het totaal aantal huishoudens in Nederland heeft 97,7 % een of meerdere tv-toestellen in huis. 81,7 % van de tv-huishoudens is aangesloten op een kabelnetwerk3 Na België is Nederland het dichtst bekabelde land ter wereld. 11,1 % van de tv-huishoudens heeft een satellietschotel, die in de meeste gevallen Astra1-ontvangst omvat, en in mindere mate veelal ook Astra3, Astra2 en/of Hotbird-ontvangst. Ongeveer 10 % van de Nederlandse tv-huishoudens heeft een abonnement op het digitale etherpakket Digitenne van KPN dat via de een (kleine) antenne binnenshuis wordt aangeboden. Digitenne van KPN biedt eind 2008 nagenoeg landelijke dekking aan.4. Ongeveer 2,3 % van de huishoudens heeft geen televisie5. Gemiddeld hebben de Nederlandse tv-huishoudens 1,7 tv-toestellen in gebruik. 95,5 % van de Nederlanders heeft een of meer radio’s in bezit, waarvan 68,8 % van de Nederlandse huishoudens deze op de kabel heeft aangesloten. 6. Binnen de op de kabel aangesloten huishoudens is bijna 100 procent van de tv-toestellen en 68,8 %7 van de eerste radiotoestellen aangesloten op de kabel. In vergelijking met veel andere Europese landen wordt in Nederland met name radio verhoudingsgewijs veel via de kabel beluisterd.
2.1 Geschiedenis kabel
In Europa verschenen de eerste kabelnetten in gebieden waar ontvangst van normale televisiesignalen moeilijk of zelfs geheel onmogelijk was. In bergachtige gebieden bijvoorbeeld, waar op elke bergtop een zender geplaatst zou moeten worden om alle inwoners van een land te bereiken. Nederland echter is vanwege het vlakke landschap ideaal voor televisieontvangst. Kabeltelevisie was derhalve zeker geen noodzaak. In de jaren vijftig echter werd het voor Nederlanders mogelijk om, afhankelijk van de woonplaats, Duitse of Belgische televisie te ontvangen. De daken in Nederland raakten al snel bezaaid met antennes. Op sommige plaatsen werden, om de kosten voor individuele ontvangst te drukken, zogenaamde GAI’s en CAI’s opgericht. Met de Gemeenschappelijke Antenne Inrichtingen ontvingen flatgebouwen een signaal. De Centrale Antenne Inrichtingen voorzagen zelfs hele wijken, dorpen en steden van televisiesignalen. Een groot gedeelte van Nederland, met name de Randstad, bleef echter verstoken van buitenlandse televisieprogramma’s, terwijl dit het dichtstbevolkte deel van Nederland was. In bijvoorbeeld Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Haarlem, Leiden en de bollenstreek was het praktisch onmogelijk om zowel de Belgische als de Duitse zenders te ontvangen. Dat was in feite de geboorte van het idee om kabeltelevisie in te voeren. Dat zou ook de inwoners van deze steden en andere regio’s de mogelijkheid bieden om naar buitenlandse televisie te kijken. Bovendien zouden de problemen met de ontvangst van televisie (bijvoorbeeld door hoge gebouwen die in de weg stonden) ook verdwijnen. In hoog tempo werd Nederland bekabeld. Overheden vaardigden daarbij soms antenneverboden uit waarmee de invoering van de kabel vergemakkelijkt en versneld werd. Antenneverboden zijn echter in strijd met de vrijheid van meningsuiting en het recht op het vergaren van informatie. Dat betekent dat iedereen die geen kabel wenst te ontvangen, een eigen antenne mag plaatsen. Halverwege de jaren zestig werd een ambitieus plan gelanceerd: men wilde in het hele land een groot pakket programma’s aanbieden, waartoe één landelijk netwerk zou worden aangelegd. Hierover zouden programma’s uit Duitsland, Engeland, België en Frankrijk worden aangeleverd van een perfecte kwaliteit. Dit plan bleek uiteindelijk iets te ambitieus en verdween in de ijskast.
Ondertussen ontwikkelde de kabel zich voorspoedig. De vraag naar nieuwe en meer kanalen bleef bestaan. Daarom werden alsnog eerdere ideeën over het aanvoeren van signalen uit de kast gehaald. Als eerste besloten de samenwerkende kabelmaatschappijen in het noorden van ons land om de signalen van de Belgische televisie aan te voeren. Daartoe werd een contract gesloten met de toenmalige PTT, die vanaf het najaar van 1985 de toenmalige Vlaamse kanalen BRT 1 en BRT 2 leverde. Steeds meer gemeenten sloten contracten met de PTT voor de aanlevering van tv- en radiosignalen. Dat waren naast de BRT ook de twee kanalen van de BBC, waar veel vraag naar was. Deze konden echter niet goed ontvangen worden omdat de uitzendingen vanaf te grote afstand plaatsvonden.
Voordat de signalen van de BBC konden worden aangeleverd dienden echter de auteursrechten te worden geregeld. De Britten waren niet erg gecharmeerd van de ‘piraten’ van de Nederlandse en Belgische kabelmaatschappijen, die hun signaal zo maar uit de lucht haalden en dit met wisselende beeldkwaliteit aan hun abonnees ter beschikking stelden. Ze eisten betaling en die kregen ze ook.
Aan het begin van de jaren zeventig rees het besef dat de kabel ook uitstekend gebruikt zou kunnen worden voor lokale omroep. In 1971 was de Brabantse gemeente Goirle de eerste die geheel bekabeld was. Ter gelegenheid daarvan begon men daar met de eerste lokale radio- en televisieomroep. Deze gebeurtenis luidde het begin in van de enorme uitbreiding aan kanalen, mogelijk gemaakt door de kabel. Inmiddels kennen vrijwel alle kabelnetten één of meerdere lokale zenders. Als gevolg van de populariteit van de kabel, bleef Nederland een van de weinige landen in Europa dat geen officiële commerciële (analoge) ethertelevisie kende.
2.2 Commerciële radio
Radio per satelliet speelde een belangrijke rol in het ontsluiten van de Nederlandse kabel voor commerciële omroep. Radio gold hier als voortrekker; pas later kwam de commerciële televisie. Het is een deel van de omroepgeschiedenis dat vaak onderbelicht blijft. Toch waren het de verschillende radiozenders die van buiten de landsgrenzen Nederland rijp maakten voor commerciële omroep. De Nederlandse omroepen zonden ieder een ‘totaalprogramma’ uit via de toenmalige zenders Hilversum 1 en Hilversum 2. Dat was van alles wat. Muziek- en themazenders zoals we die nu kennen bestonden nog niet. De enige Nederlandstalige zender die non-stop muziek bracht, was Radio Luxemburg. Deze zond na de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zestig een ochtendprogramma op de 208 meter middengolf uit. Met de komst van het zendschip Veronica maakte Nederland in het voorjaar van 1960 voor het eerst op grote schaal kennis met muziekradio.
Door de steeds groeiende populariteit van Veronica zonnen de bestaande omroepen op een passend antwoord. Dat werd Hilversum 3, een zender met uitsluitend populaire muziek die in oktober 1970 van start ging op de 675 kHz middengolf en de FM-band.
Aan het begin van de jaren zeventig was Veronica niet meer de enige leverancier van non-stop popmuziek. Naast de officiële concurrentie van Hilversum 3 kwamen er nieuwe schepen op de Noordzee. In de eerste plaats Radio Noordzee, dat overdag een Nederlands programma uitzond. Vanuit België volgden meer initiatieven: Radio Mi-Amigo en Radio Atlantis. Deze explosie van zeezenders werd de Nederlandse overheid te gortig. Vooral na de bomaanslag van Veronica op Noordzee maakte de overheid haast met het aannemen van het zogenaamde 'anti-Veronica wetje'. Het werd voortaan verboden om te adverteren op zeezenders, ze te bevoorraden of op andere wijze behulpzaam te zijn. Eind augustus 1974 staakte Veronica haar uitzendingen. Op dat moment was Hilversum 3 de enig overgebleven bron van popmuziek.
Bloed kruipt echter waar het niet gaan kan en aan het einde van de jaren zeventig, begin jaren tachtig schoten overal in het land lokale FM-piraten als paddestoelen uit de grond. Ze werden veelal gefinancierd uit de verkoop van reclamezendtijd. Een enkeling groeide uit tot een volwaardig, professioneel lokaal radiostation zoals Hofstad Radio (Den Haag), Decibel Radio en Radio Unique (Amsterdam), Keistad Radio (Amersfoort) of Keizerstad Radio (Arnhem). Na jaren van anarchie in de ether trad de overheid in de tweede helft van de jaren tachtig steeds krachtiger op tegen de lokale FM-piraten. De meesten legden het loodje.
2.3 Nieuwe mogelijkheden
De komst van televisiesatellieten en de algemene verbreiding van kabelnetten bood echter nieuwe mogelijkheden voor radio. Radiozenders kwamen plotseling uit de ruimte: verspreid per satelliet naar de kabelnetten en vervolgens via de kabel naar de luisteraar. De pioniers waren Cable 1, Radio 10 en Sky Radio die allemaal ‘uit het buitenland’ werden uitgezonden.
Sky Radio ontwikkelde zich als radiobroertje van het populaire Sky Channel op televisie officieel vanuit Londen. Radio 10 kwam vanuit Milaan dankzij een contract met de toenmalige lokale zender Rete Zero en Cable One kwam van de Britse eilanden. Hun status was aanvankelijk een beetje schimmig, want dit was nog nooit vertoond. Allereerst: radio komt toch gewoon via de ether? Niemand luistert toch via de kabel naar de radio? Ten tweede: was het allemaal wel legaal, die buitenlandse zenders die zomaar in Nederland uitzonden?